Publicaties

filter op categorie:

Cobouw 21 september 2017 - Half geld, dubbel plezier

Begin augustus jubelde makelaarskoepel NVM over een record aan nieuw gebouwde recreatiewoningen. Dat zijn dus tweede woningen (veelal luxe en niet voor een eerste woning onderdoend) voor al dan niet eigen recreatief gebruik op een vakantiepark of losstaand.

Als reden voor de grote populariteit wordt de lage rentestand genoemd: een recreatiewoning is een aaibaar alternatief voor geld dat anders dood ligt. Wellicht deden twee recente uitspraken van de fiscale kamer van de Hoge Raad een extra duit in het zakje.

Onroerende-zaakbelasting
Voor lag de vraag of niet ook een recreatiewoning als woning in de zin van artikel 220a en 220f Gemeentewet kan worden aangemerkt. Deze artikelen regelen de onroerende-zaakbelasting. Is sprake van een woning dan is alleen de OZB-eigenarenbelasting verschuldigd en niet ook de OZB-gebruikersbelasting.

Tot heden was vaste (lagere) rechtspraak dat een gebouw slechts dan tot woning dient als deze in hoofdzaak bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker.

In de zaken waar de Hoge Raad zich nu over boog was sprake van een met een gewone, eerste woning vergelijkbare tweede, recreatiewoning waarvan permanente bewoning op grond van gemeentelijke voorschriften bovendien niet was toegestaan. De Rechtbank oordeelde daarom in eerste aanleg dat de woning dan eenvoudigweg niet voor permanente bewoning bestemd kán zijn.

Vergelijkbaar met gewone woning
De eigenaren gingen in (sprong-)cassatie en stelden dat hun recreatiewoning alle voorzieningen bevat die het feitelijk bestemd en geschikt maken om het gebouw duurzaam te bewonen. Daarmee is de recreatiewoning volstrekt vergelijkbaar met een gewone woning en daaraan doen plaatselijke gemeentevoorschriften die een permanente bewoning verbieden niet af. Zo'n verbod leidt immers niet tot een feitelijke wijziging van de woning.

De Hoge Raad volgde dit en oordeelde in beide zaken dat als een recreatiewoning naar aard en inrichting is bestemd om als woning te dienen deze als woning in de zin van de Gemeentewet moet worden aangemerkt, zelfs ook indien bewoning is verboden (BNB 2017/22 en 23). Gevolg is dat voor dergelijke recreatiewoningen alleen de eigenarenbelasting OZB naar (het lagere) woningtarief is verschuldigd en niet ook de OZB-gebruikersbelasting. Dus: half geld en dubbel plezier!